Afgelopen januari organiseerde de Dutch Gynaecological Oncology Group samen met de werkgroep gynaecologische oncologie voor de eerste keer het ‘A Year in Review’-symposium. Doel van de bijeenkomst was om Nederlandse gynaecologisch oncologen, medisch oncologen en radiotherapeut-oncologen een makkelijke optie te geven om op de hoogte te blijven van de (inter)nationale ontwikkelingen in het onderzoek naar gynaecologisch-oncologische aandoeningen. 2 van de initiatiefnemers, dr. C.A.R. (Christianne) Lok (Centrum Gynaecologische Oncologie Amsterdam) en dr. H.W.R. (Henk) Schreuder (UMC Utrecht) spreken van een succesvolle eerste editie en kondigen aan dat het symposium in 2026 een vervolg krijgt.
3 vliegen in 1 klap. Zo beschrijft Henk Schreuder de gedachte om 1 van de 2 jaarlijkse vergaderingen van de Dutch Gynaecological Oncology Group (DGOG) te combineren met de werkgroep gynaecologische oncologie (WOG)-vergadering en een symposium waarin wordt teruggekeken op de onderzoeksresultaten die het jaar daarvoor publiek zijn geworden. Schreuder: “Ik heb in het buitenland eens een symposium meegemaakt waarin aan het einde van het jaar werd teruggeblikt op onderzoek met impact op de praktijk, en vond dit een mooi concept. Tegelijkertijd werd in Amsterdam de mogelijkheid van het organiseren van een symposium op het gebied van de gynaecologische oncologie met verschillende sponsoren besproken. Tijdens een vergadering van de DGOG kwam het idee op om dit te combineren en een dergelijk symposium te koppelen aan 1 van de 2 jaarlijkse vergaderingen. Naast een dagdeel met de vergadering van de WOG, besteden we dan een halve of driekwart dag aan het nieuws op de congressen. De andere vergadering van de werkgroep organiseren we dan online.”
Duurzaamheid
Een bijkomende beweegreden achter het organiseren van het ‘A Year in Review’-symposium is de wens om de carbon footprint van medische congressen te verkleinen, vertelt Christianne Lok. “We hebben onderling al vaker besproken of het echt nodig is om met z’n allen naar een congres te gaan. Soms worden er weinig nieuwe inzichten gepresenteerd of kan het nieuws goed worden samengevat, terwijl het bezoeken van congressen uitstoot, reizen en een tijdsinvestering met zich meebrengt. De behoefte om het duurzamer aan te pakken is groot, en met dit symposium lijken we een manier gevonden te hebben om dit te bereiken.” Schreuder vult aan: “Het is ‘groener’ als niet iedereen naar het buitenland hoeft terwijl men toch up-to-date blijft van de belangrijkste ontwikkelingen binnen ons vakgebied.”
Een voordeel van het efficiënt combineren van de werkgroepvergadering met een symposium is dat hierdoor een hogere opkomst wordt gegarandeerd. Dit maakt het mogelijk om gezamenlijk te discussiëren over de plaats van nieuwe ontwikkelingen binnen de Nederlandse gynaecologische oncologie, stelt Lok. “We kunnen innovaties meteen bespreken in relatie tot onze eigen logistiek en organisatie in Nederland. Kunnen we iets inpassen in onze dagelijkse praktijk? Hoe pakken we dat dan aan? En kunnen we dit landelijk uniform invoeren? Het multidisciplinaire karakter van de dag is ook erg waardevol. Afgelopen keer zaten we met internisten, pathologen, radiotherapeuten, gynaecologisch oncologen en verpleegkundig specialisten bij elkaar. Hierdoor konden we breed discussiëren over wat de ontwikkelingen betekenen voor Nederland, wat absoluut een meerwaarde had.”
De hoofdmoot van de tijdens het symposium besproken onderzoeken vormen studies die de dagelijkse klinische praktijk kunnen beïnvloeden. “We behandelen juist de studies die impact hebben en mogelijk in de richtlijnen geïmplementeerd moeten worden”, vertelt Schreuder. “De besproken onderzoeken zijn relevant voor elke gynaecoloog of medisch oncoloog in ons vakgebied. Doordat we op zo’n moment een grote groep bereiken, zorgen we er ook voor dat de kennis binnen de Nederlandse gynaecologische oncologie op een evenwichtig niveau blijft.”
Protocollen aanpassen?
Een van de studies die tijdens het symposium besproken werden, was de CHIPOR-studie.1 Deze gerandomiseerde fase III-studie onderzocht het effect van hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) in combinatie met chirurgie bij het eerste recidief ovariumcarcinoom en liet zien dat HIPEC de totale overleving significant verbeterde (54,3 vs. 45,8 maanden). Hoewel de kans op ernstige bijwerkingen hoger was in de HIPEC-groep, was er geen nadelige impact op de kwaliteit van leven.
Lok stelt dat de behandeling mogelijk van toegevoegde waarde is voor een geselecteerde groep patiënten. “Als je een selectie maakt van patiënten die voorbehandeld zijn met chemotherapie, lijkt er in die groep een toegevoegde waarde te zijn van HIPEC. Er zijn echter ook andere studies, ook in de afgelopen jaren verschenen, die laten zien dat er geen of minder winst is als je dit na primaire debulking doet of als de patiënte een BRCA-mutatie heeft. Patiëntenselectie is dus heel belangrijk.”
Schreuder benadrukt dat de publicatie van de studie niet betekent dat de behandeling snel toegepast kan worden in Nederland. “Onder andere moet dit eerst in de richtlijn worden opgenomen en moet er een vergoeding voor komen.” Anderzijds zijn de Nederlandse HIPEC-centra wel toegerust om de behandeling te geven. “We moeten nu gaan kijken of dit in de protocollen moet worden opgenomen”, aldus Lok.
Andere studies die tijdens het symposium aan bod kwamen, waren onderzoeken naar de FIGO-classificatie van patiënten met trofoblastziekte en naar niraparib als eerstelijnsbehandeling van ovariumcarcinoom (zie kaders).
Geen consensus
Verder was er een pro/contra-discussie rondom de resultaten van de INTERLACE-studie.2 Hieruit bleek dat inductiechemotherapie gevolgd door standaard chemoradiotherapie de overleving van patiënten met lokaal gevorderd cervixcarcinoom verbetert in vergelijking met alleen chemoradiotherapie. De 5-jaarsoverleving was 80% in de inductiechemotherapie-groep versus 72% in de chemoradiotherapie-groep.
Er werd geen consensus bereikt, vertellen Lok en Schreuder. “Daar zijn de meningen echt nog verdeeld over”, aldus Schreuder. Lok legt uit: “De studie heeft 10 jaar gelopen, waardoor de standaardbehandeling ondertussen is veranderd, met name op het gebied van radiotherapie. Door verbeterde technieken is de overleving toegenomen, waardoor inductiechemotherapie in Nederland mogelijk minder winst oplevert dan in de INTERLACE-studie.” De richtlijncommissie heeft inmiddels besloten dat de behandeling voorlopig niet in de Nederlandse richtlijn wordt opgenomen.
Lok: “Ook hier gaat het weer om patiëntenselectie. Mogelijk is dit wel een goede optie voor sommige patiënten met echt grote tumoren. Als je dan een voorbehandeling doet met chemotherapie, waardoor de tumor kleiner wordt, is het misschien beter mogelijk om met chemoradiatie te behandelen. Dat is denk ik ook een groep waar dit sowieso misschien al af en toe gedaan werd. Het mooie van de INTERLACE-studie is dat we nu weten dat dit geen nadeel oplevert.”
2026
Inmiddels is besloten dat het symposium volgend jaar een vervolg krijgt. Mede omdat het combineren van de WOG- en DGOG-vergadering met het ‘A Year in Review’-symposium in de smaak viel. Lok: “98% van de mensen die de evaluatie-enquête invulden, willen dat het volgend jaar weer georganiseerd wordt.” 21 januari 2026 kan alvast in de agenda genoteerd worden.
FIGO-classificatie moet eenduidiger worden ingevuld
Christianne Lok besprak tijdens het symposium een studie waaruit blijkt dat de FIGO-classificatie voor GTN (Gestational Trophoblastic Neoplasia) vrij wisselend wordt ingevuld en dat dit in een aantal gevallen ook leidt tot een verschil in behandeling. Lok: “Zelfs onder experts varieert de inschatting van het risico van de patiënt. Dit kan invloed hebben op de keuze tussen monotherapie en multi-agenttherapie. Het is echter niet zo dat de een het fout doet en de ander goed, maar we doen het niet hetzelfde. Daarom willen nu met de trofoblastgemeenschap een e-learning maken om de variabiliteit te verminderen.”
Geen OS-voordeel van eerstelijns PARP-remmer
De PRIMA/ENGOT-OV26/GOG-3012-studie is een fase III-trial, waarin niraparib werd onderzocht als onderhoudstherapie bij patiënten met recent gediagnosticeerd, gevorderd hooggradig sereus/endometrioïd ovariumcarcinoom met een respons op eerstelijns platinumgebaseerde chemotherapie.3 De studie liet geen verschil zien in totale overleving: 46,6 maanden met niraparib versus 48,8 maanden met placebo. Lok: “Door dit soort data zal de indicatiestelling gaan wijzigen, terwijl in het begin heel veel patiënten in aanmerking kwamen voor PARP-remmers. Maar we zien nu dat er op de langere termijn eigenlijk geen overlevingswinst is voor bepaalde groepen, terwijl mensen wel bijwerkingen ervaren.”
Referenties:
- Classe JM, Meeus P, Hudry D, et al. Hyperthermic intraperitoneal chemotherapy for recurrent ovarian cancer (CHIPOR): a randomised, open-label, phase 3 trial. Lancet Oncol. 2024;25:1551-62.
- McCormack M, Eminowicz G, Gallardo D, et al. Induction chemotherapy followed by standard chemoradiotherapy versus standard chemoradiotherapy alone in patients with locally advanced cervical cancer (GCIG INTERLACE): an international, multicentre, randomised phase 3 trial. Lancet. 2024;404:1525-35.
- Monk BJ, Barretina-Ginesta MP, Pothuri B, et al. Niraparib first-line maintenance therapy in patients with newly diagnosed advanced ovarian cancer: final overall survival results from the PRIMA/ENGOT-OV26/GOG-3012 trial. Ann Oncol. 2024;35:981-92.